Welkom te Gijzenzele

.......... De kleinste deelgemeente van Oosterzele

Getuigenissen uit Gijzenzele - Wedervaren van een jonge man op de vlucht (Adhemar Duytschaever)

Artikels

 

Wedervaren van een jonge man op de vlucht  (Adhemar Duytschaever)

Rond Kerstmis 1939 kwam ik als zeventienjarige met vader en ons huisgezin op een boerderij wonen op de Wetterse steenweg in Gijzenzele.

Toen op 10 mei 1940 de oorlog begon, werden er tussen de onderstanden prikkeldraad versperringen aangebracht en hier en daar loopgrachten gedolven.

De achttien- tot dertigjarigen werden algemeen aangemaand naar Frankrijk te vluchten om uit de handen van de aanvallers te blijven. De bevolking in de streek rond de verdedigingsgordel van Gent kreeg ook de opdracht hun huis te verlaten voor hun eigen veiligheid. De jongens van Gijzenzele moesten verzamelen in Roeselare terwijl de mannen van Kwatrecht, waar ik afkomstig van was, samen kwamen in Poperinge om vandaar met de trein naar het zuiden van Frankrijk te vluchten.

908

foto Soma

Met de fiets trok ik zo, geladen met wat brood, boter en een bloende, naar Poperinge om er mijn vrienden van Kwatrecht te vinden.

Onderweg reed ik veel vluchtende gezinnen voorbij die met kruiwagens en stootkarren met het hoogst nodige van hun voorwerpen (vooral eten en kledij) op de vlucht waren en meestal richting West-Vlaanderen.

De eerste nacht van mijn tocht kon ik in een schuur bij burgers op wat stro slapen.

’s Morgens ging mijn reis dan verder tot in Poperinge waar ik inderdaad een paar vrienden van Kwatrecht tegenkwam.

Vermits de treinen overvol zaten en ik het niet zo vertrouwde met de trein, besloot ik samen met een vriend (Georges Rottiers) met de fiets de grens over te steken.

In Loo konden we de grensgendarmen ontwijken en zo waren we in Frankrijk. Ons eten was ondertussen bijna op en in de Franse winkels werd ons Belgisch geld niet aanvaard en bleven we op onze honger zitten. Na al twee dagen geslapen te hebben in een weide konden we op de Kasselberg in een school terecht om er een nacht door te brengen.

De morgen daarop vertrokken we naar Abbeville waar we bij een groep Belgische soldaten belandden die dan nog toevallig van Kwatrecht afkomstig waren. Die mannen hadden ook eten voor ons en we lieten het ons goed smaken.

Een dag later ging onze reis verder richting Boulogne sur Mer. Onderweg veel vluchtelingen met alles wat op wielen liep. Hier en daar een achtergelaten auto die zonder benzine was gevallen.

Toen ik een steile helling naar beneden fietste en ik wilde remmen op mijn torpedo (ingebouwde rem in het achterwiel) brak mijn ketting en raasde naar beneden. Gelukkig kon mijn vriend Georges voor mij komen rijden en mij afremmen. De ketting werd gemaakt en we konden verder tot de volgende stad.

Vermits Boulogne sur Mer gebombardeerd werd door de Duitsers konden we daar niet binnen en besloten we terug te keren tot St.-Omer.

Daar moesten we een voetgangersbrug over doch niemand werd er doorgelaten en we waren verplicht te wachten. Na enkele uren konden we de wacht ontlopen en zijn toch over de brug geraakt om zo terug kunnen keren naar België.

In Roeselare op de markt aangekomen kwamen we een man uit Kwatrecht (Julien Van Hoorde) tegen die meedeelde dat mijn ouders in Ingelmunster in een klooster gevlucht zaten. Uiteraard ging ik ze opzoeken en vond ik gans mijn familie terug en bleef bij hen.

We zaten verscholen  in de kelders van het klooster toen de toren van de kapel door obussen van de Duitsers werd getroffen. Toen we uit onze samengetrokken houding recht kwamen, zagen we tot onze ontsteltenis grootvader gekwetst bloedend in het aangezicht.

Wij vreesden het ergste, maar gelukkig viel alles mee: hij was bij de ontploffing zo geschrokken dat hij met het hoofd tegen de tafel was gebotst en er een wondje aan overhield.

Toen het in Roeselare te warm werd zijn we vertrokken naar Pittem bij een kippenboer. Na er één nacht te hebben geslapen en er 100 eieren te hebben gekocht ging de tocht naar Wingene waar we bij een molenaar (De Brabander) mochten verblijven.

Toen de tweede nacht van ons verblijf het Belgische leger kanonnen aan het plaatsen was, dachten we aan schieten en terugschieten en vonden het daar ook niet meer pluis. Gelukkig vertrokken de kanonnen zonder één schot te hebben gelost. Toen ’s morgens om zes uur de Duitsers op het erf geweest waren, besloten we om huiswaarts te keren. Van de meelresten in de maalderij werd brood gebakken om mee te nemen. We waren van brood nu beter voorzien dan bij de heenreis.

Vermits de brug over de schelde in Deinze vernield was, hadden de Duitsers een noodbrug gemaakt voor hun troepen. Wij moesten er acht uur wachten tot eerst alle troepen van de bezetter hadden overgestoken. In Zwijnaarde was de brug hetzlefde lot beschoren en had men een drijvende loopbrug op het water gelegd.

Met de hulp van Jozef De Troyer en zijn vrouw Marie zijn we over de Schelde geraakt en zo naar huis.

Ik was acht dagen in Frankrijk en acht dagen met mijn familie onderweg geweest.