Welkom te Gijzenzele

.......... De kleinste deelgemeente van Oosterzele

Historische context van het kloosterleven

Artikels

foto1

Historische context van het kloosterleven [1]
Het kloosterleven kunnen we pas echt begrijpen als we het in een historische context plaatsen. Het katholieke landschap is tijdens de voorbije eeuw immers grondig gewijzigd. Maar om die wijzigingen te kunnen volgen, moeten we nog wat verder terug in de tijd. 

Vanaf de jaren 1100 werden, naast de slotkloosters, ook apostolische, de congregaties gesticht. Tussen de twaalfde en de zeventiende eeuw waren dat vooral gemeenschappen die de zorg voor zieken op zich namen. Het waren 'wereldlijke personen van beider kunne', vrouwen en mannen dus, die een ziekendienst inrichtten en een gezamenlijke geestelijke regel aannamen. Ze verzorgden 'alle arme zieken' van de stad, maar ook de reizigers (de passanten) die uitgeput en ziek bij hen aanbelden. In de eerste helft van de zeventiende eeuw ontstonden nieuwe groepen die zich uitsluitend in dienst stelden van de armen. Ze verzorgden zieken aan huis en in hospitalen, gaven onderwijs en catechese aan arme kinderen, bezochten gevangenen en openden verblijven voor bedelaars.

Ook deze congregaties werden meestal niet gesticht als religieuze gemeenschappen. Lekenbroeders en -zusters leefden samen. In het begin van de zeventiende eeuw stelde de Contrareformatie echter 'orde op zaken'. De bestaande groepen moesten, ten koste van wat ook, een religieuze gemeenschap vormen. Mannen en vrouwen werden uit elkaar gehaald. 

Met de Franse Revolutie (1789-1799) kwam de scheiding tussen Kerk en Staat, een nieuwe inrichting van de samenleving. In 1790 reeds werden in Frankrijk alle contemplatieve kloosters opgeheven. De landen die Frankrijk annexeerde, volgden. Zo werden ook bij ons, door de invoering van de Franse antireligieuze wetten, de abdijen en kloosters tussen 1796 en 1801 vrijwel allemaal gesloten en hun goederen in beslag genomen. Congregaties die actief waren in de ziekenzorg werden wel wat beter getolereerd; maar hun zusters waren verplicht hun kloosterkleed af te leggen en als 'hospitalières' te werken.

Toch begon de Kerk vrijwel onmiddellijk aan een 'stille' herleving. In de eerste decennia van de negentiende eeuw ontstonden tal van nieuwe congregaties die aanvankelijk een bijna verborgen bestaan leidden. De stichters, meestal 'vrome dames' onder begeleiding van een priester, trokken jonge mensen aan en vormden religieuze gemeenschappen.

Na de Franse Tijd, in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, bleven de wetten tegen de kloosters gehandhaafd. Van een terugkeer naar de bevoorrechte positie van de Kerk zoals in het Ancien Régime was geen sprake. Koning Willem I, een verlicht despoot, wilde godsdienst en onderwijs tot staatsinstrumenten uitbouwen. Zowel katholieken als liberalen verzetten zich en toen in 1830 België onafhankelijk werd, konden de nieuwe congregaties aan een ware expansie beginnen.

In 1824, in het toenmalige Verenigd Koninkrijk, werden 3.135 religieuzen geteld. In 1846, bij de eerste algemene volkstelling in het onafhankelijke België, waren er al 8.368 zusters. Vooral de vrouwencongregaties kenden een spectaculaire ontwikkeling. In 1880 waren er bijna 20.000 zusters; bij de eeuwwisseling 31.355. Op 65 jaar tijd, van 1846 tot 1910, was het aantal kloosterzusters ruim vervijfvoudigd.

In tegenstelling tot de contemplatieve orden waren de 'nieuwe' apostolische congregaties meestal 'actief'. Het verrichten van een bepaalde arbeid in dienst van de Kerk en van de medemens stond centraal. Ze zorgden vooral voor de armen, de verwaarloosden, de onwetenden. Zieke en arme mensen wilden ze troosten, verzorgen en onderwijzen. Zo verwierf de Kerk op enkele decennia tijd een sterke positie in het onderwijs en de ziekenzorg. 


1. Kloosterzusters door Annemie Verlinden – gesprekken met hoogbejaarde religeuzen – uitgeverij EPO - 2001


 In vergelijking met de contemplatieve kloosters was er minder tijd voor gebed, men had immers meer tijd nodig voor het werk. Toch benadrukten alle 'actieve' kloosters dat het gebed niet mocht verwaarloosd worden. Het evenwicht tussen de werkende Martha en de biddende Maria gold als het na te streven ideaal. Ook een al te strenge ascese zou het werk van de zusters in de weg kunnen staan. Boetedoeningen mochten daarom enkel mits uitdrukkelijke toestemming van de biechtvader of van de overste, én buiten het medeweten van de ander zusters. Om de krachten van de zusters te sparen voor onderwijs en ziekenzorg, werden voldoende nachtrust, een gezonde voeding en op tijd en stond een ontspannende recreatie ingebouwd.

Toch bleef het kloosterleven van de contemplatieven in de negentiende eeuw het model voor een volmaakte religieuze beleving. Het kloosterslot stond niet alleen symbool voor de bescherming van de kuisheid, maar wilde ook, na het trauma van de Franse Revolutie, een eerherstel brengen voor het aan Christus berokkende leed door een leven van gebed en boetedoening. Het kloosterslot zorgde er bovendien voor dat religieuzen zich zo weinig mogelijk in de 'verderfelijke wereld' begaven en dat invloeden van buitenaf konden worden geweerd. Bezoek van familie en vrienden, maar ook briefwisseling, stoorden het werk en het gebed van de zusters. Om diezelfde reden werd van de slotzusters verwacht dat ze, buiten de recreaties, de stilte bewaarden.

Om aansluiting te vinden bij dit religieuze ideaal van de gesloten ordes, werden aspecten van het traditionele kloosterleven in de nieuwe congregaties geïntegreerd. De twee elementen die het makkelijkst te verzoenen waren met het actieve apostolaat, waren het slotleven en het stilzwijgen.

Andere typische regels, zoals voortdurend gebed en gemeenschappelijke boetedoening, waren moeilijker verenigbaar met de ,taken van een onderwijzeres of een verpleegster.

Meer nog dan deze soms wat geforceerde aansluiting bij die eeuwenoude monastieke traditie, bepaalde de geest van 'caritas' de typische spiritualiteit van de actieve congregaties. Ondanks uiteenlopende achtergronden en verschillende devoties, vertoonden ze weinig fundamentele verschillen. Iedere gemeenschap had haar eigen gewoontes en sfeer,maar hun gezamenlijke kracht was gelegen in hun religieus ge"inspireerde inzet voor de medemens.

Alhoewel de hoofdopdracht van de zusters bestond uit onderwijs of verpleegwerk, aarzelden de congregaties lang om de opleiding van hun zusters op het niveau te brengen van die van het lekenpersoneel. Dat congregaties hun zusters niet aan normaalscholen of verpleegstersscholen voor leken wilden toevertrouwen, was destijds normaal.

Maar daarnaast deed de gangbare katholieke opvatting over onderwijs de zaak ook geen goed. Onderwijs werd beschouwd als een vorm van opvoeding waarin het aanleren van zakelijke kennis weliswaar noodzakelijk was, maar waar zedelijk en godsdienstig onderricht op de eerste plaats kwam. Weinig katholieken konden toen waardering opbrengen voor kennis op zich, laat staan voor intellectualisme en kritische zin. Vele vrouwelijke religieuzen waren ervan overtuigd dat een teveel aan intellectuele bagage onherstelbare schade zou toebrengen aan de nederigheid, het kinderlijke geloof, de gehoorzaamheid en de eerbied die van hen verwacht werd.

In dat algemene klimaat kwam pas laat in de negentiende eeuw verandering. De nieuwe wetten van de liberale regeringen na 1857 eisten een grotere professionalisering in onderwijs en ziekenzorg. Daarom richtten de meeste congregaties in de eerste helft van de twintigste eeuw eigen scholen op, afgeschermd van de 'gevaarlijke' buitenwereld.

Van 1870 tot 1950 kenden alle congregaties een periode van bloei, het aantal intredes nam toe. Er werd vanaf 1870 veel meer gerekruteerd - maar vooral de intredeleeftijd lag lager. De 16- en 17 -jarigen waren in de meerderheid, samen maakten ze een kwart uit van alle postulanten.

Ook de 15-, 18-, 19- en 20-jarigen waren sterk vertegenwoordigd.


 Waarom kozen katholieke meisjes en vrouwen op het eind van de negentiende eeuw voor een religieus leven? Ten eerste waren veel meisjes enthousiast over de taken die de eerste zusters op zich namen: zorg voor kinderen, zieken, armen, ongelukkigen en bejaarden. Het moet gezegd dat christenen uit alle kerken de sociale zorgtaken op zich hebben genomen, de overheid bleef op dat vlak in gebreke. In de tweede plaats betekende een intrede meestal een verhoging van status. Vrouwen kregen in de congregaties de mogelijkheid zich te ontplooien en verantwoordelijke functies uit te oefenen in een tijd dat dit voor vrouwen nog zeer ongebruikelijk was.

Verder was er de geringe afstand tussen de gezagsverhoudingen in het kloosterleven en in het gezinsleven. De relatie tussen ouders en dochters verschilde weinig van die tussen overste en zuster. Verregaande gehoorzaamheid was ook in de gezinnen normaal. Soms kon intreden in een klooster betekenen dat het meisje wegraakte uit de sleur van het werk in een gezin of op de boerderij. De groep enthousiaste 'pioniersters' die experimenteerde op diverse terreinen van maatschappelijke zorg, werkte aanstekelijk. Meisjes uit arme gezinnen konden dan weer aangetrokken worden door de relatieve welvaart van de gemeenschappen, waar de bitterste armoede overwonnen was. Congregaties werden vaak ook als alternatieve leefgemeenschappen beschouwd. Voor vrouwen uit de negentiende eeuw was het kloosterleven een van de weinige alternatieven voor de harde realiteit van een huwelijk met vele kinderen. Ten slotte bevorderde het aanzien dat de kloosters bij de katholieke bevolking genoten, het aantal religieuze roepingen. Intreden in het klooster werd beschouwd als een uitverkiezing.

In diezelfde periode was de massadevotie in ontwikkeling. Bedevaarten, relikwievereringen en processies kenden een nooit eerder gezien succes. Het Vlaamse platteland vormde tevens het decor voor volksmissies. Honderden predikers trokken in de dorpen rond om met dondersermoenen het volk weer op het juiste pad te brengen. Thema’s als het Laatste Oordeel en het Einde der Tijden kwamen dan uitvoerig aan bod en joegen de toehoorders schrik aan. Tot ver na de Eerste Wereldoorlog bleef deze negentiende-eeuwse situatie nagenoeg ongewijzigd. In vredestijd werd het oude leven zo goed en zo kwaad als het kon, hervat.

In de periode 1926-1945 waren er opnieuw zeer veel intredes. De gemiddelde intredeleeftijd bleef laag. In de jaren '30 was bijna 30% 16 jaar of jonger; nog eens een kwart was 17 of 18 op het moment van intrede.

Het eerste contact met een congregatie gebeurde meestal via de lokale school of via een zus, een nicht of een 'tante nonneke'. Het voorbeeld van andere kloosterzusters was, veel meer dan de specifieke spiritualiteit van de congregatie, van doorslaggevend belang. Vaak nodigde een zuster van de plaatselijke communiteit een meisje, bij wie ze roeping vermoedde, uit om kennis te maken met de congregatie.


 In de loop van de twintigste eeuw begon de westerse samenleving te seculariseren, te verwereldlijken. Dat werd onder meer zichtbaar in de terugloop van de mispraktijk en in het succes van 'werelds' vermaak: muziek, dans, bioscoop. In Vlaanderen ging die evolutie wel wat trager dan elders. Maar na de Tweede Wereldoorlog zette de dalende trend van het aantal roepingen zich ook bij ons door. Dit was nog niet meteen zichtbaar aan het aantal religieuzen omwille van de langere gemiddelde levensduur van de zusters. Maar de aantrekkingskracht van het klooster verminderde. Het aantal intredes haalde, behalve in het  Heilig Jaar 1950, nooit meer het vooroorlogse hoogtepunt. De jaren '60 versnelden die trend nog. De hoogdagen waren voorbij.

De Kerk reageerde gealarmeerd op de algemene terugloop van de roepingen. Men wilde weten wat er aan de hand was. Reeds in de tweede helft van de jaren' 40 werden diverse enquêtes georganiseerd bij priesters, religieuzen en religieus actieve leken om te peilen naar de oorzaken van de roepingencrisis.  Spontaan wezen de ondervraagden op de secularisering van gezin en samenleving, waardoor volgens hen traditionele waarden als gezag, soberheid, naastenliefde en zelfopoffering werden vervangen door materialisme, egoïsme, zucht naar vrijheid en genot. De mentaliteit van het moderne, jonge meisje zou daardoor nog moeilijk te verzoenen zijn met het kloosterleven. Daarnaast werd ook de concurrentie van de katholieke 'actie' aangeduid. Die gaf het lekenapostolaat een nieuwe elan en verheerlijkte huwelijk en moederschap, waardoor het celibaat "als levenskeuze” in het gedrang kwam. In laatste instantie zocht men naar oorzaken in het kloosterleven zelf; onder meer op het vlak van kledij en familiebezoek werd dat te streng en dus onaantrekkelijk bevonden.

Een meer diepgaande analyse na de Tweede Wereldoorlog maakte duidelijk dat het om een samengaan van sociale, culturele en economische factoren ging: de verzwakking van de religieuze vitaliteit, de geleidelijke desintegratie van de katholieke zuil, de toenemende interventie van de overheid op gebied van onderwijs en verpleging en de procentuele stijging van het aantal huwelijken.

Inmiddels werd binnen de Kerk intensief gezocht naar oplossingen voor de crisis in het kloosterleven. De eerste impulsen voor de vernieuwing kwamen uit Rome. Paus Pius XII hield in 1950, op een congres voor religieuzen, een pleidooi voor een aanpassing aan de “wereld – in – beweging”. De kloof tussen klooster en wereld moest worden gedicht. De Kerk wilde een grotere voeling met de tijdgeest. Vanaf de jaren '50 werden in de kloosters de eerste kleine toegevingen gedaan. Zusters mochten hun bejaarde ouders gaan bezoeken, ze mochten de kerkdienst bijwonen van het gouden of diamanten jubileum van hun ouders en aanwezig zijn bij hun berechting en op hun begrafenis. Zusters mochten ook, als begeleidster of als studente, meegaan op (school)reis. Het habijt werd eenvoudiger, de dagorde versoepeld en gebruiken en regels herzien.


 De stilaan groeiende openheid bracht ook de fundamentele crisis in het kloosterleven aan de oppervlakte. Dit is duidelijk zichtbaar in de stijging van de uittredingen tussen 1965 en 1970, de periode net na het Tweede Vaticaans Concilie.

Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) speelde een belangrijke rol in dit hele proces. Vaticanum II kon bij de meeste gelovigen op een groot enthousiasme rekenen en wekte een werkelijke vernieuwingszin op. De Latijnse mis maakte plaats voor een soberder viering in de volkstaal, de priester stond niet langer met de rug naar de gelovigen. Heel wat elementen uit het devotionele leven zoals processies, Mariahuldes, heiligenvereringen,... werden naar de achtergrond verdrongen. Alle congregaties kregen vanuit Rome de opdracht een vernieuwingskapittel te houden en een nieuwe leefregel uit te werken. In alle kloosters maakte het vaste patroon van traditionele gebeden, geestelijke lezingen en spirituele oefeningen plaats voor een gebeds- en bezinningsleven waarin de persoonlijke vrijheid van iedere zuster meer tot uiting kon komen.

Een van de kernpunten van de vernieuwing was de herwaardering van het gemeenschapsleven. Men zocht een alternatief voor het kloosterleven oude stijl: wonen in grote groepen, gehoorzaamheid aan de overste en onderwerping aan een minutieus reglement. In kleinere communiteiten hoopten de kloosterzusters ruimte te vinden voor meer persoonlijk contact, begrip, openheid en geborgenheid. Het gezag van de overste moest worden omgebogen tot een samen gedragen verantwoordelijkheid. De religieuze gemeenschap werd in de eerste plaats een geloof- en leefgemeenschap, niet meer zozeer een werkgemeenschap.

Samenleven in kleine gemeenschappen bleek een groeiproces. Het werd aanpassen aan de nieuwe vrijheid op het vlak van gebed, familiebezoek, kleding, enz. Uniformiteit werd vervangen door diversiteit. Die vernieuwingsgolf schudde op enkele jaren tijd het kloosterlijk landschap grondig door elkaar.

Een nieuwe moeilijkheid was de kloof tussen actieve en bejaarde zusters in één gemeenschap. Het aandeel van de groep 60-plussers steeg in alle congregaties. Het beleid moest rekening houden met een sterk vergrijsde populatie. Er werden overal rusthuizen bijgebouwd.

Jongere zusters werken nu aan een spiritualiteit die de Kerk in deze tijd een 'arm en dienend' gelaat moet geven. Ze spreken zelf over het Nazareth-ideaal, een nieuwe vorm van religieus leven in de arbeiders- en armenwereld.

Een van hen verwoordt het als volgt: 'Wij kennen de toekomst niet... het verleden heeft zijn tijd gehad en is voorbij. Het keert niet weer. Wij klampen ons er ook niet aan vast. We hopen dat het goede dat gebeurd is niet helemaal verloren gaat. Dat het op een of andere manier zal verder leven in de wereld van morgen.