Welkom te Gijzenzele

.......... De kleinste deelgemeente van Oosterzele

Historische context van het kloosterleven - Historische Context blz 2

Artikels

 In vergelijking met de contemplatieve kloosters was er minder tijd voor gebed, men had immers meer tijd nodig voor het werk. Toch benadrukten alle 'actieve' kloosters dat het gebed niet mocht verwaarloosd worden. Het evenwicht tussen de werkende Martha en de biddende Maria gold als het na te streven ideaal. Ook een al te strenge ascese zou het werk van de zusters in de weg kunnen staan. Boetedoeningen mochten daarom enkel mits uitdrukkelijke toestemming van de biechtvader of van de overste, én buiten het medeweten van de ander zusters. Om de krachten van de zusters te sparen voor onderwijs en ziekenzorg, werden voldoende nachtrust, een gezonde voeding en op tijd en stond een ontspannende recreatie ingebouwd.

Toch bleef het kloosterleven van de contemplatieven in de negentiende eeuw het model voor een volmaakte religieuze beleving. Het kloosterslot stond niet alleen symbool voor de bescherming van de kuisheid, maar wilde ook, na het trauma van de Franse Revolutie, een eerherstel brengen voor het aan Christus berokkende leed door een leven van gebed en boetedoening. Het kloosterslot zorgde er bovendien voor dat religieuzen zich zo weinig mogelijk in de 'verderfelijke wereld' begaven en dat invloeden van buitenaf konden worden geweerd. Bezoek van familie en vrienden, maar ook briefwisseling, stoorden het werk en het gebed van de zusters. Om diezelfde reden werd van de slotzusters verwacht dat ze, buiten de recreaties, de stilte bewaarden.

Om aansluiting te vinden bij dit religieuze ideaal van de gesloten ordes, werden aspecten van het traditionele kloosterleven in de nieuwe congregaties geïntegreerd. De twee elementen die het makkelijkst te verzoenen waren met het actieve apostolaat, waren het slotleven en het stilzwijgen.

Andere typische regels, zoals voortdurend gebed en gemeenschappelijke boetedoening, waren moeilijker verenigbaar met de ,taken van een onderwijzeres of een verpleegster.

Meer nog dan deze soms wat geforceerde aansluiting bij die eeuwenoude monastieke traditie, bepaalde de geest van 'caritas' de typische spiritualiteit van de actieve congregaties. Ondanks uiteenlopende achtergronden en verschillende devoties, vertoonden ze weinig fundamentele verschillen. Iedere gemeenschap had haar eigen gewoontes en sfeer,maar hun gezamenlijke kracht was gelegen in hun religieus ge"inspireerde inzet voor de medemens.

Alhoewel de hoofdopdracht van de zusters bestond uit onderwijs of verpleegwerk, aarzelden de congregaties lang om de opleiding van hun zusters op het niveau te brengen van die van het lekenpersoneel. Dat congregaties hun zusters niet aan normaalscholen of verpleegstersscholen voor leken wilden toevertrouwen, was destijds normaal.

Maar daarnaast deed de gangbare katholieke opvatting over onderwijs de zaak ook geen goed. Onderwijs werd beschouwd als een vorm van opvoeding waarin het aanleren van zakelijke kennis weliswaar noodzakelijk was, maar waar zedelijk en godsdienstig onderricht op de eerste plaats kwam. Weinig katholieken konden toen waardering opbrengen voor kennis op zich, laat staan voor intellectualisme en kritische zin. Vele vrouwelijke religieuzen waren ervan overtuigd dat een teveel aan intellectuele bagage onherstelbare schade zou toebrengen aan de nederigheid, het kinderlijke geloof, de gehoorzaamheid en de eerbied die van hen verwacht werd.

In dat algemene klimaat kwam pas laat in de negentiende eeuw verandering. De nieuwe wetten van de liberale regeringen na 1857 eisten een grotere professionalisering in onderwijs en ziekenzorg. Daarom richtten de meeste congregaties in de eerste helft van de twintigste eeuw eigen scholen op, afgeschermd van de 'gevaarlijke' buitenwereld.

Van 1870 tot 1950 kenden alle congregaties een periode van bloei, het aantal intredes nam toe. Er werd vanaf 1870 veel meer gerekruteerd - maar vooral de intredeleeftijd lag lager. De 16- en 17 -jarigen waren in de meerderheid, samen maakten ze een kwart uit van alle postulanten.

Ook de 15-, 18-, 19- en 20-jarigen waren sterk vertegenwoordigd.