Welkom te Gijzenzele

.......... De kleinste deelgemeente van Oosterzele

Historische context van het kloosterleven - Historische Context blz 3

Artikels

 Waarom kozen katholieke meisjes en vrouwen op het eind van de negentiende eeuw voor een religieus leven? Ten eerste waren veel meisjes enthousiast over de taken die de eerste zusters op zich namen: zorg voor kinderen, zieken, armen, ongelukkigen en bejaarden. Het moet gezegd dat christenen uit alle kerken de sociale zorgtaken op zich hebben genomen, de overheid bleef op dat vlak in gebreke. In de tweede plaats betekende een intrede meestal een verhoging van status. Vrouwen kregen in de congregaties de mogelijkheid zich te ontplooien en verantwoordelijke functies uit te oefenen in een tijd dat dit voor vrouwen nog zeer ongebruikelijk was.

Verder was er de geringe afstand tussen de gezagsverhoudingen in het kloosterleven en in het gezinsleven. De relatie tussen ouders en dochters verschilde weinig van die tussen overste en zuster. Verregaande gehoorzaamheid was ook in de gezinnen normaal. Soms kon intreden in een klooster betekenen dat het meisje wegraakte uit de sleur van het werk in een gezin of op de boerderij. De groep enthousiaste 'pioniersters' die experimenteerde op diverse terreinen van maatschappelijke zorg, werkte aanstekelijk. Meisjes uit arme gezinnen konden dan weer aangetrokken worden door de relatieve welvaart van de gemeenschappen, waar de bitterste armoede overwonnen was. Congregaties werden vaak ook als alternatieve leefgemeenschappen beschouwd. Voor vrouwen uit de negentiende eeuw was het kloosterleven een van de weinige alternatieven voor de harde realiteit van een huwelijk met vele kinderen. Ten slotte bevorderde het aanzien dat de kloosters bij de katholieke bevolking genoten, het aantal religieuze roepingen. Intreden in het klooster werd beschouwd als een uitverkiezing.

In diezelfde periode was de massadevotie in ontwikkeling. Bedevaarten, relikwievereringen en processies kenden een nooit eerder gezien succes. Het Vlaamse platteland vormde tevens het decor voor volksmissies. Honderden predikers trokken in de dorpen rond om met dondersermoenen het volk weer op het juiste pad te brengen. Thema’s als het Laatste Oordeel en het Einde der Tijden kwamen dan uitvoerig aan bod en joegen de toehoorders schrik aan. Tot ver na de Eerste Wereldoorlog bleef deze negentiende-eeuwse situatie nagenoeg ongewijzigd. In vredestijd werd het oude leven zo goed en zo kwaad als het kon, hervat.

In de periode 1926-1945 waren er opnieuw zeer veel intredes. De gemiddelde intredeleeftijd bleef laag. In de jaren '30 was bijna 30% 16 jaar of jonger; nog eens een kwart was 17 of 18 op het moment van intrede.

Het eerste contact met een congregatie gebeurde meestal via de lokale school of via een zus, een nicht of een 'tante nonneke'. Het voorbeeld van andere kloosterzusters was, veel meer dan de specifieke spiritualiteit van de congregatie, van doorslaggevend belang. Vaak nodigde een zuster van de plaatselijke communiteit een meisje, bij wie ze roeping vermoedde, uit om kennis te maken met de congregatie.