Welkom te Gijzenzele

.......... De kleinste deelgemeente van Oosterzele

Historische context van het kloosterleven - Historische Context blz 4

Artikels

 In de loop van de twintigste eeuw begon de westerse samenleving te seculariseren, te verwereldlijken. Dat werd onder meer zichtbaar in de terugloop van de mispraktijk en in het succes van 'werelds' vermaak: muziek, dans, bioscoop. In Vlaanderen ging die evolutie wel wat trager dan elders. Maar na de Tweede Wereldoorlog zette de dalende trend van het aantal roepingen zich ook bij ons door. Dit was nog niet meteen zichtbaar aan het aantal religieuzen omwille van de langere gemiddelde levensduur van de zusters. Maar de aantrekkingskracht van het klooster verminderde. Het aantal intredes haalde, behalve in het  Heilig Jaar 1950, nooit meer het vooroorlogse hoogtepunt. De jaren '60 versnelden die trend nog. De hoogdagen waren voorbij.

De Kerk reageerde gealarmeerd op de algemene terugloop van de roepingen. Men wilde weten wat er aan de hand was. Reeds in de tweede helft van de jaren' 40 werden diverse enquêtes georganiseerd bij priesters, religieuzen en religieus actieve leken om te peilen naar de oorzaken van de roepingencrisis.  Spontaan wezen de ondervraagden op de secularisering van gezin en samenleving, waardoor volgens hen traditionele waarden als gezag, soberheid, naastenliefde en zelfopoffering werden vervangen door materialisme, egoïsme, zucht naar vrijheid en genot. De mentaliteit van het moderne, jonge meisje zou daardoor nog moeilijk te verzoenen zijn met het kloosterleven. Daarnaast werd ook de concurrentie van de katholieke 'actie' aangeduid. Die gaf het lekenapostolaat een nieuwe elan en verheerlijkte huwelijk en moederschap, waardoor het celibaat "als levenskeuze” in het gedrang kwam. In laatste instantie zocht men naar oorzaken in het kloosterleven zelf; onder meer op het vlak van kledij en familiebezoek werd dat te streng en dus onaantrekkelijk bevonden.

Een meer diepgaande analyse na de Tweede Wereldoorlog maakte duidelijk dat het om een samengaan van sociale, culturele en economische factoren ging: de verzwakking van de religieuze vitaliteit, de geleidelijke desintegratie van de katholieke zuil, de toenemende interventie van de overheid op gebied van onderwijs en verpleging en de procentuele stijging van het aantal huwelijken.

Inmiddels werd binnen de Kerk intensief gezocht naar oplossingen voor de crisis in het kloosterleven. De eerste impulsen voor de vernieuwing kwamen uit Rome. Paus Pius XII hield in 1950, op een congres voor religieuzen, een pleidooi voor een aanpassing aan de “wereld – in – beweging”. De kloof tussen klooster en wereld moest worden gedicht. De Kerk wilde een grotere voeling met de tijdgeest. Vanaf de jaren '50 werden in de kloosters de eerste kleine toegevingen gedaan. Zusters mochten hun bejaarde ouders gaan bezoeken, ze mochten de kerkdienst bijwonen van het gouden of diamanten jubileum van hun ouders en aanwezig zijn bij hun berechting en op hun begrafenis. Zusters mochten ook, als begeleidster of als studente, meegaan op (school)reis. Het habijt werd eenvoudiger, de dagorde versoepeld en gebruiken en regels herzien.