Welkom te Gijzenzele

.......... De kleinste deelgemeente van Oosterzele

Historische context van het kloosterleven - Historische Context blz 5

Artikels

 De stilaan groeiende openheid bracht ook de fundamentele crisis in het kloosterleven aan de oppervlakte. Dit is duidelijk zichtbaar in de stijging van de uittredingen tussen 1965 en 1970, de periode net na het Tweede Vaticaans Concilie.

Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) speelde een belangrijke rol in dit hele proces. Vaticanum II kon bij de meeste gelovigen op een groot enthousiasme rekenen en wekte een werkelijke vernieuwingszin op. De Latijnse mis maakte plaats voor een soberder viering in de volkstaal, de priester stond niet langer met de rug naar de gelovigen. Heel wat elementen uit het devotionele leven zoals processies, Mariahuldes, heiligenvereringen,... werden naar de achtergrond verdrongen. Alle congregaties kregen vanuit Rome de opdracht een vernieuwingskapittel te houden en een nieuwe leefregel uit te werken. In alle kloosters maakte het vaste patroon van traditionele gebeden, geestelijke lezingen en spirituele oefeningen plaats voor een gebeds- en bezinningsleven waarin de persoonlijke vrijheid van iedere zuster meer tot uiting kon komen.

Een van de kernpunten van de vernieuwing was de herwaardering van het gemeenschapsleven. Men zocht een alternatief voor het kloosterleven oude stijl: wonen in grote groepen, gehoorzaamheid aan de overste en onderwerping aan een minutieus reglement. In kleinere communiteiten hoopten de kloosterzusters ruimte te vinden voor meer persoonlijk contact, begrip, openheid en geborgenheid. Het gezag van de overste moest worden omgebogen tot een samen gedragen verantwoordelijkheid. De religieuze gemeenschap werd in de eerste plaats een geloof- en leefgemeenschap, niet meer zozeer een werkgemeenschap.

Samenleven in kleine gemeenschappen bleek een groeiproces. Het werd aanpassen aan de nieuwe vrijheid op het vlak van gebed, familiebezoek, kleding, enz. Uniformiteit werd vervangen door diversiteit. Die vernieuwingsgolf schudde op enkele jaren tijd het kloosterlijk landschap grondig door elkaar.

Een nieuwe moeilijkheid was de kloof tussen actieve en bejaarde zusters in één gemeenschap. Het aandeel van de groep 60-plussers steeg in alle congregaties. Het beleid moest rekening houden met een sterk vergrijsde populatie. Er werden overal rusthuizen bijgebouwd.

Jongere zusters werken nu aan een spiritualiteit die de Kerk in deze tijd een 'arm en dienend' gelaat moet geven. Ze spreken zelf over het Nazareth-ideaal, een nieuwe vorm van religieus leven in de arbeiders- en armenwereld.

Een van hen verwoordt het als volgt: 'Wij kennen de toekomst niet... het verleden heeft zijn tijd gehad en is voorbij. Het keert niet weer. Wij klampen ons er ook niet aan vast. We hopen dat het goede dat gebeurd is niet helemaal verloren gaat. Dat het op een of andere manier zal verder leven in de wereld van morgen.